Bibliotheek

Zoeken in CatalogusPlus

Open science en humanities - een vruchtbare combinatie

Een verslag van de bijeenkomst in SPUI25 door informatiespecialist Martien Versteeg

2 augustus 2016

Wat is open science, hoe wordt het gefinancierd en wat betekent het voor de wijze waarop onderzoekers werken, publiceren en voor de waardering van hun publicaties? Op de bijeenkomst Open Science & Humanities, een vruchtbare combinatie, georganiseerd door de Bibliotheek UvA op 31 mei 2016 in SPUI25, boden vier wetenschappers uit de Humaniora, Charles Forceville, Joep Leerssen, Johan Rooryck en Martin Stokhof enig inzicht.

Toen Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws en Joodse Studies aan de UvA, in 2015 met een vertegenwoordigster van een wetenschappelijke uitgeverij over open access sprak, kreeg zij te horen dat de uitgeverij met het faciliteren van open access “nooit zo lang had kunnen bestaan.” Hopelijk zal deze uitgeefster nu door een andere bril kijken want op 27 mei jl. besloten de Europese ministers van onderzoek en innovatie dat Europees gefinancierd onderzoek transparant dient te zijn.

Europees beleid

Stokhof is voorzitter van de werkgroep Open Access van de European Research Council. De werkgroep organiseert debatten, seminars en andere vormen van voorlichting rond open science. Het Europese besluit houdt in dat vanaf 2020 alle door de overheid gefinancierde wetenschappelijke output vrij beschikbaar is en dat de onderzoeksdata zo veel mogelijk toegankelijk zijn voor derden. De Nederlandse overheid en grote subsidiegevers, zoals ERC, ondersteunen open science.

Stokhof ziet enig verschil tussen het Europese beleid en de praktische uitwerking. Iedere discipline verstaat immers iets anders onder data, de praktijk en de kennis verschillen en het moet duidelijk zijn wat dit betekent voor het beheer van de data binnen het project. Bij de beoordeling van een Research Data Management plan, een verplicht onderdeel van aanvragen bij de ERC, is dan ook een vakspecifieke invalshoek noodzakelijk.

De werkgroep volgt het Europese beleid ten aanzien van open science en de initiatieven van andere spelers in het veld, zoals OpenAIRE. Wat zijn de effecten van het ERC-beleid, wat wordt er gerealiseerd, wat zijn belemmeringen en waar valt er iets te verbeteren? Enige aandachtspunten zijn data repositories, knowledge exchange en de financiering van open science.

In eigen hand

De vrije toegang tot onderzoeksresultaten, open access, is inmiddels een gewaardeerd onderdeel van open science. Bij open access verzorgt de uitgever tegen betaling de publicatie en de vrije toegang. Hij brengt daarvoor Article Processing Charges (APC) in rekening. Deze variëren, afhankelijk van uitgever en tijdschrift. In de regel krijgt de auteur geen inzicht in de opbouw van deze kosten.

Voor Rooryck, hoogleraar Franse taalkunde aan de Universiteit Leiden, waren de hoge kosten en het gebrek aan transparantie redenen om in 2015 met de gehele redactie van het tijdschrift Lingua bij Elsevier op te stappen. De redactie wilde in overleg met een nieuwe uitgever het tijdschrift volgens het Fair Open Access Publishing Model (FOAPM) publiceren. Dat is gelukt. Glossa : a journal of general linguistics, de voortzetting van Lingua, is eigendom van de redactie, het auteursrecht van de bijdragen rust bij de auteurs en de APC zijn laag en transparant.

Voor vergelijkbare initiatieven adviseert Rooryck om een stichting op te richten die binnen één vakgebied belangrijke tijdschriften in de richting van het FOAPM beweegt. Deze stichting werft financiers die de kosten tijdens de overgangsperiode dekken. Zo subsidiëren NWO en de Radboud Universiteit Glossa. Hij verwacht dat overgestapte tijdschriften op termijn zijn te financieren met geld dat vrijkomt als universitaire bibliotheken abonnementen, bijvoorbeeld op Lingua, beëindigen. De Open Library of Humanities, een wereldwijd consortium van 200 bibliotheken, kan het tijdschrift na de overgangsperiode voortzetten en archiveren.

Liever niet in eigen hand

Aan de APC zijn meer kosten verbonden. Voor open access is in de geesteswetenschappen namelijk een groot aantal tijdschriften beschikbaar en de wetenschapper moet telkens kiezen in welke hij publiceert. Deze versnippering, het verschil in publicatiekosten en de afhandeling daarvan vergen een aanzienlijke tijdsinvestering die Forceville, Universitair Hoofddocent bij Media Studies van de UvA, tot een van de verborgen kosten van het publiceren rekent.

Daar zijn er meer van. In zijn publicaties, die handelen over de visuele metafoor in film, reclame, strips en cartoons, zijn afbeeldingen essentieel. Uitgevers laten de verantwoordelijkheid van het afhandelen van de rechten rond copyright van afbeeldingen maar wat graag aan de auteurs over. Forceville hoopt, misschien tegen beter weten in, nog eens met een uitgever te werken die adequate informatie verstrekt, meedenkt, meedoet en durf toont zodat hij er minder tijd aan kwijt is.

Werkwijze en waardering

De kracht van de geesteswetenschappen is de analyse van data om veranderingen zichtbaar te maken waar vervolgens verklaringen voor worden gezocht. Joep Leerssen, hoogleraar Europese Studies aan de UvA, kan met de Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe (ERNiE) zijn onderzoek op geheel eigen wijze inrichten.

De huidige technologieën maken het hem mogelijk om nieuwe onderzoeksvragen te stellen en deze op een andere wijze te beantwoorden. ERNiE had 10 jaar geleden niet kunnen bestaan want om de vele verbanden, dynamische visualisaties en onderlinge verwijzingen betreffende deze periode weer te geven, zijn boeken en tijdschriften te narratief.

Het materiaal waar Leerssen mee werkt bevindt zich in het publieke domein. Wat het copyright betreft, hoeft hij dus niets te regelen. Voor Forceville is copyright  echter  “een regelrechte nachtmerrie”  en van invloed op zijn publicatiestrategie. Sommige uitgevers publiceren pas als iedere afbeelding vergezeld gaat van een getekende copyrightverklaring. Hierdoor besluit hij regelmatig om afbeeldingen niet te gebruiken of naar een andere uitgever over te stappen.

Naast de verspreiding van hun publicaties is voor wetenschappelijke auteurs waardering belangrijk. Forceville wijst op het verschil tussen tijdschriften met een gevestigde reputatie, de A-merken, terwijl nieuwe open access tijdschriften deze reputatie nog moeten opbouwen. Eigenlijk dient een wetenschapper zich voor het publiceren in een beginnend tijdschrift af te vragen hoe de uitgever deze titel in de markt zet en hoe collega’s het zullen waarderen. Voor Glossa sprak Rooryck met verschillende ranking organisaties. Zo bekijkt The Centre for Science and Technology Studies (CWTS) of de impactfactor ten opzichte van Lingua verandert en neemt ERIHPLUS (European Reference Index for the Humanities) Glossa op in haar ranking. Een probleem voor ERNiE is dat het gaat om bijdragen van collega’s in een nieuwe vorm en in een nieuw medium. Leerssen beschouwt de publicaties in ERNiE als bijdragen in bundels die als zodanig moet worden beoordeeld. Maar hoe kijkt de wetenschappelijke wereld daar naar?

Niet alleen beginnende tijdschriften, onderzoekers en nieuwe publicatievormen krijgen weinig aandacht. Het geldt ook voor sommige oudere publicatievormen, zoals preprints. Forceville plaatst regelmatig preprints op UvA-DARE, Researchgate en Academia.edu. Hij vraagt zich daarbij niet alleen af welke versie het betreft wanneer hij deze online zet maar stelt zich de gewetensvraag waarom hij niet, zoals veel collega’s, kiest voor het illegaal uploaden van de definitieve versie. Deze worden immers meer gelezen dan preprints en krijgen meer aandacht.

Perspectief

Zwiep’s allereerste kennismaking met open access stamt uit 2010. Als onderzoeksdirecteur van de Faculteit der Geesteswetenschappen kreeg zij de vraag om iets met open access te doen. Haar wedervraag was: “Wie gaat dat betalen?” waarna het aan de andere kant ‘geruststellend’ stil werd. Inmiddels is open science een onderdeel van het wetenschappelijke proces en stellen financiers eisen aan het beheer van data en de open toegang tot de onderzoeksresultaten. Daarom wil de FGw komend najaar voor open science beleid formuleren. Een aantal punten is daarbij van belang:

  • Publiceren. Met bescheiden initiatieven binnen de disciplines, zoals LinguOA, kan de wetenschapper het publiceren in eigen hand nemen. Er blijft een rol weggelegd voor commerciële uitgevers, denk aan het gebruik van hun specifieke kwaliteiten zoals marketing. Ook kan de universiteit het publiceren uitbesteden zodanig dat de werkzaamheden van de uitgever aansluiten bij de wensen van de wetenschappelijke wereld.
  • Financiering. Rooryck verwacht dat zijn model binnen vijf jaar goedkoper is dan het subscriptionmodel maar de vraag blijft hoe de Article Processing Charges worden gedekt. Het geld dat bibliotheken wereldwijd spenderen aan abonnementen is in te zetten voor open access. De langlopende contracten in de vorm van big deals zijn echter een struikelblok. En het is de vraag of de geldelijke bijdragen van de deelnemende bibliotheken aan de Open Library of Humanities voldoende zijn om tijdschriften voort te zetten en duurzaam toegankelijk te stellen.
  • Waardering. Tijdschriften met een gevestigde reputatie zijn in handen van machtige uitgevers maar de wetenschappelijke wereld dient te onderkennen dat open acces publicaties in beginnende tijdschriften of bijdragen in een nieuwe vorm op hun eigen merites gewaardeerd dienen te worden.
  • Transparantie. Maak de kosten inzichtelijk en minimaliseer deze. Uitgaven dienen zich op een reële wijze te verhouden tot het werk dat uitgevers verrichten. Dat geldt tevens voor verborgen kosten, zoals de tijdsinvestering van de wetenschapper bij het regelen van de rechten. Breng deze werkzaamheden zo mogelijk elders onder, bijvoorbeeld bij gespecialiseerde medewerkers van universitaire bibliotheken zoals Rooryck suggereert in het geval van redactioneel werk.

Maria Heijne, directeur Bibliotheek UvA/HVA, ondersteunt open science. Het is een ontwikkeling waar de bibliotheek deel van wil uitmaken. Wat open access betreft is dat al langer zichtbaar maar achter de schermen steunt de bibliotheek ook initiatieven als de Open Library of Humanities. Zij nodigt de faculteit uit om met de bibliotheek in overleg te treden bij het formuleren van het beleid en/of de praktische uitwerking daarvan.

Martien Versteeg

Informatie over de sprekers en gespreksleider

Charles Forceville is UHD bij Media Studies aan de UvA. Hij doceert en publiceert veelvuldig over visuele metafoor in film, reclame, strips & cartoons; schrijft aan een monografie waarin hij de taal-georiënteerde Relevance Theory toepast op massacommunicatie in visuals; redigeert, met Assimakis Tseronis, de bundel Visual Argumentation. Forceville heeft een profiel op Academia.edu en Researchgate.

Joep Leerssen is hoogleraar Europese Studies aan de UvA. Zijn onderzoek gaat over de theorie en geschiedenis van nationale stereotypen en zelfbeelden, en over de geschiedenis van het cultuurnationalisme. Zijn recentste project is de multimediale Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe (ERNiE).

Johan Rooryck is hoogleraar Franse taalkunde aan de Universiteit Leiden. Hij was Executive Editor van het gerenommeerde taalkundetijdschrift Lingua (Elsevier) van 1999 tot 2015, toen Lingua’s gehele redacteursteam en editorial board het tijdschrift omgezet heeft naar een Fair Open Access tijdschrift onder de nieuwe naam Glossa (Ubiquity Press/ OLH).

Martin Stokhof is emeritus hoogleraar taalfilosofie aan de UvA. Zijn onderzoek richt zich vooral op de formele semantiek en op de filosoof Ludwig Wittgenstein. Hij is sinds 2014 lid van de Scientific Council van de European Research Council (ERC) waaronder sinds januari 2016 voorzitter van de werkgroep Open Access.

Irene Zwiep studeerde klassieken en Hebreeuws in Amsterdam en Jeruzalem. Sinds 1997 is ze hoogleraar Hebreeuws en Joodse Studies aan de UvA. Haar onderzoek ligt op het terrein van de joodse intellectuele geschiedenis, van middeleeuwse joodse taalfilosofie, via christelijke Hebraïstiek, tot de joodse verlichting en de negentiende-eeuwse Wissenschaft des Judentums.

Gepubliceerd door  Bibliotheek van de UvA